Blijft het relatie- en concurrentiebeding na faillissement van kracht?

Een regelmatig terugkerende vraag die door (ex)werknemers wordt gesteld waarvan de werkgever failliet is verklaard, is de vraag of de curator hen aan hun relatie- en concurrentiebeding kan houden. Een logische vraag, want vanzelfsprekend zijn deze (ex)werknemers veelal op zoek naar een nieuwe baan of overwegen de stap om voor zichzelf te beginnen. Een relatie- en concurrentiebeding kan hier dan aan in de weg staan.

Juridische strijd
De vraag of een curator de (ex)werknemer aan het relatie- en concurrentiebeding kan houden is dan ook vaak het onderwerp van een juridische strijd. De vele uitspraken op dit gebied laten zien dat de uitkomst van dergelijke procedures verschillend is. Er zijn uitspraken te vinden waarin het beroep van de curator op handhaving van het relatie- en concurrentie beding slaagt maar evengoed zijn er uitspraken te vinden waarbij de (ex)werknemer succesvol een beroep doet op schorsing of vernietiging van het concurrentiebeding. Er zijn zelfs uitspraken te vinden waarbij het concurrentiebeding wordt vernietigd maar het relatiebeding gehandhaafd blijft. Hoe komt dit?

In beginsel kan de curator de (ex)werknemer houden aan het relatie- en concurrentiebeding. Opzeggen van de arbeidsovereenkomst door de curator betekent in ieder geval niet automatisch dat het relatie- en concurrentiebeding komt te vervallen. De curator dient echter aan te tonen dat er sprake is van een zwaarwegend belang bij het handhaven van het relatie- en concurrentiebeding. De curator moet duidelijk maken wat hij met de failliete boedel van plan is. De curator kan er namelijk voor kiezen om (een deel van) de onderneming te verkopen. Wordt de boedel verkocht aan een derde? Krijgt de betrokken werknemer door de koper een arbeidsovereenkomst aangeboden? Komt een eventuele doorstart in gevaar indien de werknemer daadwerkelijk mag gaan concurreren met de (ex)werkgever en/of relaties van de (ex)werkgever mag benaderen? Stelt de koper van de failliete boedel als voorwaarde dat de curator de (ex)werknemers aan het relatie- en concurrentiebeding zal houden? Allemaal aspecten die relevant zijn voor de vraag of een curator een succesvol beroep kan doen op het relatie- en concurrentiebeding.

Belangen werknemer tellen mee
Niet alleen het (zwaarwegend) belang van de curator bij handhaving is relevant, ook het belang van de (ex)werknemer moet worden bekeken. De werknemer heeft te maken met met het verlies aan inkomsten als gevolg van het faillissement en zal op zoek moeten naar een andere baan. Vaak valt de belangenafweging in het voordeel van de werknemer uit.

Een mooi voorbeeld hiervan vinden we in een uitspraak van de rechtbank Almelo uit 2011. Werkneemster had in kort geding de schorsing van het relatiebeding gevorderd. Werkneemster wilde een eigen rechtspraktijk starten en het relatiebeding met haar inmiddels failliete (ex)werkgever belemmerde haar hier ernstig in. De curator had daarentegen een doorstart gerealiseerd en was met de koper overeengekomen dat de curator zich zal blijven inspannen om het relatiebeding te handhaven. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de curator door de doorstart geen bedrijfsdebiet meer beheerde en dat niet viel uit te sluiten dat op korte termijn het faillissement zou worden afgewikkeld. De afspraak van de curator met de koper dat deze zich zou blijven inspannen om het relatiebeding te handhaven leverde volgens de rechter ook geen zwaarwegend belang op. De rechten voortvloeiende uit het relatie beding gaan immers niet van rechtswege over op de kopers van de failliete boedel. De rechter kwam dan ook tot de slotsom dat de werking van het relatiebeding zou worden geschorst.

In bovengenoemd voorbeeld viel de belangenafweging uit in het voordeel van de (ex)werknemer. Dit hoeft echter niet altijd het geval te zijn. Wordt u geconfronteerd met de vraag of u ondanks het faillissement van uw (ex)werkgever gebonden blijft aan uw concurrentie- en relatiebeding neem dan gerust contact op. Aan de hand van de exacte feiten en omstandigheden kunnen we u verder helpen.

Mocht u vragen hebben over dit onderwerp, dan kunt u hiervoor terecht bij Lennart Hordijk

Nieuwe vennoot aansprakelijk voor oude schulden vof?

De heer X is op 19 oktober 2011 toegetreden tot een vennootschap onder firma Adviesgroep De Regge, een assurantietussenpersoon. Die vof heeft in 2006 en 2010 bedragen van eiser van € 20.000 en € 15.000 ontvangen welke De Regge aan verzekeraars zou doorbetalen. De Regge, destijds met 2 vennoten Y en Z, heeft die bedragen echter niet doorgestort.

De vof Adviesgroep De Regge is op 10 augustus 2012 uitgeschreven uit het handelsregister en voorgezet als eenmanszaak van Y. Eiser dagvaart in 2013 de voormalige vennoten X, Y en Z. en verlangt dat ieder hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van € 35.000 met rente en kosten. Ten tijde van het vonnis zijn Y en Z failliet. De procedure tegen hen wordt geschorst. De procedure tegen de “nieuwe” vennoot X wordt voortgezet. X verweert zich met de stelling i) dat hij nooit iets met de betalingen te maken heeft gehad en ii) dat de schuld is ontstaan voordat hij vennoot werd.

De rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2014:1056) overweegt eerst dat niet relevant is of vennoot X iets met de uitvoering van de opdracht van eiser te maken heeft gehad. Omdat de schuld is ontstaan in 2006 respectievelijk 2010 en X pas in 2011 vennoot werd, de opdracht van eiser door de vof is aanvaard voor de toetreding van X, is X niet aansprakelijk.

Commentaar mr E. Bakhuis

Over deze problematiek is wisselende rechtspraak. Artikel 18 van het Wetboek van Koophandel bepaalt dat vennoten in een vof hoofdelijk verbonden zijn voor de schulden van een vof. De contractspartij van een vof kan dus zowel bij de vof als bij de vennoten aankloppen. Om met succes de vordering te (kunnen) incasseren zal de eisende partij dus alle vennoten moeten aanspreken met als toevoeging “des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd”. Een wetsvoorstel dat inmiddels is ingetrokken bepaalde dat een nieuwe vennoot slechts aansprakelijk is voor verbintenissen die zijn ontstaan na zijn toetreden. De Rechtbank Overijssel leidt evenwel uit een recent arrest van de Hoge Raad af dat voor persoonlijke aansprakelijkheid voldoende is i) dat na toetreding van de vennoot een deel van de schuld is ontstaan of ii) dat na toetreding van de vennoot de opdracht is aanvaard. Dat is hier niet het geval en dus wordt de vordering afgewezen.

mr. E. Bakhuis

Aansprakelijkheid bestuurder stichting bij aankoop pand

De heer X is bestuurder van een stichting met als doelomschrijving het begeleiden van jongeren. De stichting koopt een pand voor € 425.000. In de koopovereenkomst staat een standaard boetebepaling (10%) bij niet afname. De stichting, vertegenwoordigd door X, laat zich verleiden het financieringsvoorbehoud te schrappen. Overeengekomen wordt dat de stichting een bankgarantie stelt. De stichting koopt ook het naastgelegen pand met daarin een kookstudio.

De stichting laat na de bankgarantie te stellen en meldt aan de verkopers dat zij de financiering niet rond krijgt. De verkopers ontbinden de koopovereenkomst en maken aanspraak op de contractueel overeengekomen boete.  De rechtbank veroordeelt de stichting bij verstek tot betaling. De stichting voldoet niet aan het vonnis, en failleert.  Er zijn geen baten.

De verkopers richten hun pijlen vervolgens op de bestuurder van de stichting. Zij stellen dat gebleken is dat de stichting geen enkel vermogen had, dat de stichting geheel afhankelijk was van geldschieters waarvan een aantal zich ten tijde van de koop terug hadden getrokken, dat de koopprijs te hoog was en dat de stichting geen taxatie had laten verrichten. De stichting had zich bovendien niet deskundig had laten bijstaan, heeft evenmin het pand van de buren afgenomen. De stichting heeft tenslotte een haalbaarheidsonderzoek van het IMK niet afgewacht.

Nadat de rechtbank de verkopers al in het gelijk had gesteld oordeelt het hof dat de aangesproken bestuurder zich bij het aangaan van de koopovereenkomst had behoren te realiseren dat de stichting haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden. De stichting had bovendien de schijn van kredietwaardigheid gewekt. De bestuurder valt van dit alles een ernstig verwijt te maken. Zonder tegenbewijs, die kans wordt de bestuurder nog gegund, zal de bestuurder in privé worden veroordeeld de schade van de verkopers te voldoen.

 

Commentaar mr E.Bakhuis

Het gerechtshof (ECLI:NL:GHARL:2014:2007) oordeelt op grond van hand van de zogenaamde “Beklamel-maatstaf” dat de bestuurder aansprakelijk is. Die maatstaf houdt in dat een bestuurder van een vennootschap of, zoals hier, een stichting, persoonlijk aansprakelijk kan zijn indien hij als bestuurder bij het aangaan van verbintenissen wist, of redelijkerwijs behoorde te weten dat de Stichting niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Omdat de bestuurder namens de stichting had ingestemd met het laten vervallen van het financieringsvoorbehoud, heeft de stichting de schijn van kredietwaardigheid opgewekt.

mr. E. Bakhuis